der Termin
/deːɐ̯ tɛʁˈmiːn/ mv. die Termine
Afspraak
Woord in context
Ich habe gestern den Termin beim Arzt verpasst.
Ik heb gisteren de afspraak met de dokter gemist.
/deːɐ̯ tɛʁˈmiːn/ mv. die Termine
Afspraak
Ich habe gestern den Termin beim Arzt verpasst.
Ik heb gisteren de afspraak met de dokter gemist.