der Knochen
/deːɐ̯ ˈknɔxən/ mv. die Knochen
Bot
Woord in context
Der Arzt röntgte die Knochen des Patienten.
De dokter heeft de botten van de patiënt onderzocht.
/deːɐ̯ ˈknɔxən/ mv. die Knochen
Bot
Der Arzt röntgte die Knochen des Patienten.
De dokter heeft de botten van de patiënt onderzocht.