Heilbar
/ˈhaɪ̯lbaːɐ̯/
Geneesbaar
Woord in context
Der Arzt sagt, die Entzündung ist gut heilbar.
De arts zegt dat de ontsteking goed geneesbaar is.
/ˈhaɪ̯lbaːɐ̯/
Geneesbaar
Der Arzt sagt, die Entzündung ist gut heilbar.
De arts zegt dat de ontsteking goed geneesbaar is.