Netzwerken
/ˈnɛtsˌvɛʁkən/ netzwerkte · hat genetzwerkt
Netwerken
Woord in context
Ich habe viele Leute beim Netzwerken kennengelernt.
Ik heb veel mensen ontmoet tijdens het netwerken.
/ˈnɛtsˌvɛʁkən/ netzwerkte · hat genetzwerkt
Netwerken
Ich habe viele Leute beim Netzwerken kennengelernt.
Ik heb veel mensen ontmoet tijdens het netwerken.