split up
/ˌsplɪt ˈʌp/
uit elkaar gaan
Woord in context
My friends decided to split up and go different ways.
Mijn vrienden besloten uit elkaar te gaan en verschillende wegen in te slaan.
/ˌsplɪt ˈʌp/
uit elkaar gaan
My friends decided to split up and go different ways.
Mijn vrienden besloten uit elkaar te gaan en verschillende wegen in te slaan.