grocery
/ˈɡroʊsəri/ mv. groceries
Levensmiddelen
Woord in context
I need to buy milk at the grocery store.
Ik moet melk kopen in de supermarkt.
/ˈɡroʊsəri/ mv. groceries
Levensmiddelen
I need to buy milk at the grocery store.
Ik moet melk kopen in de supermarkt.