Négocier
/negɔˈsje/ a négocié
Onderhandelen
Woord in context
Je dois négocier le prix de la voiture.
Ik moet onderhandelen over de prijs van de auto.
/negɔˈsje/ a négocié
Onderhandelen
Je dois négocier le prix de la voiture.
Ik moet onderhandelen over de prijs van de auto.