Le week-end
/lə wiˈkɛnd/ mv. les week-ends
In het weekend
Woord in context
Le week-end, je vais faire une promenade au parc.
In het weekend ga ik wandelen in het park.
/lə wiˈkɛnd/ mv. les week-ends
In het weekend
Le week-end, je vais faire une promenade au parc.
In het weekend ga ik wandelen in het park.