Naar de inhoud

Top 100 werkwoorden in het Italiaans

100 woorden, van beginner tot gevorderd. Tik op een woord om het te horen.

0 / 100 woorden geleerd

Leer deze woorden door te oefenen Download de lijst (PDF)

Goed om te weten

Italiaanse werkwoorden kunnen meerdere betekenissen hebben, dus de context is belangrijk. Sentire kan verwijzen naar horen of naar een lichamelijk of emotioneel gevoel. Ascoltare betekent aandachtig luisteren. Sapere kan betekenen dat je een feit weet of weet hoe je iets moet doen, terwijl Capire begrijpen betekent.

Bij Piacere is datgene wat iemand leuk vindt het grammaticale onderwerp, niet de persoon die het leuk vindt. Het werkwoord past zich aan dat onderwerp aan: bij een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud staat het werkwoord in het enkelvoud, en bij een meervoud in het meervoud. De persoon die iets leuk vindt, wordt uitgedrukt als meewerkend voorwerp.

  1. Capire /kaˈpire/ ha capito Begrijpen A1Beginner#
  2. Essere /ˈɛssere/ è stato onregelmatig Zijn A1Beginner#
  3. Avere /aˈvere/ ha avuto onregelmatig Hebben A1Beginner#
  4. Fare /ˈfare/ ha fatto onregelmatig Doen A1Beginner#
  5. Andare /anˈdare/ è andato onregelmatig Gaan A1Beginner#
  6. Potere /poˈtere/ ha potuto onregelmatig Kunnen A1Beginner#
  7. Dovere /doˈvere/ ha dovuto onregelmatig Moeten A1Beginner#
  8. Vivere /ˈvivere/ è vissuto onregelmatig Leven A1Beginner#
  9. Lavorare /lavoˈrare/ ha lavorato Werken A1Beginner#
  10. Studiare /stuˈdjare/ ha studiato Studeren A1Beginner#
  11. Imparare /impaˈrare/ ha imparato Leren A1Beginner#
  12. Parlare /parˈlare/ ha parlato Spreken A1Beginner#
  13. Dire /ˈdire/ ha detto onregelmatig Zeggen A1Beginner#
  14. Ascoltare /askolˈtare/ ha ascoltato Luisteren naar A1Beginner#
  15. Sentire /senˈtire/ ha sentito Voelen A1Beginner#
  16. Leggere /ˈlɛddʒere/ ha letto onregelmatig Lezen A1Beginner#
  17. Scrivere /ˈskrivere/ ha scritto onregelmatig Schrijven A1Beginner#
  18. Sapere /saˈpere/ ha saputo onregelmatig Weten A1Beginner#
  19. Mangiare /manˈdʒare/ ha mangiato Eten A1Beginner#
  20. Bere /ˈbere/ ha bevuto onregelmatig Drinken A1Beginner#
  21. Volere /voˈlere/ ha voluto onregelmatig Willen A1Beginner#
  22. Prendere /ˈprɛndere/ ha preso onregelmatig Nemen A1Beginner#
  23. Dare /ˈdare/ ha dato onregelmatig Geven A1Beginner#
  24. Pagare /paˈɡare/ ha pagato Betalen A1Beginner#
  25. Comprare /komˈprare/ ha comprato Kopen A1Beginner#
  26. Aiutare /ajuˈtare/ ha aiutato Helpen A1Beginner#
  27. Trovare /troˈvare/ ha trovato Vinden A1Beginner#
  28. Venire /veˈnire/ è venuto onregelmatig Komen A1Beginner#
  29. Arrivare /arriˈvare/ è arrivato Aankomen A1Beginner#
  30. Partire /parˈtire/ è partito Vertrekken A1Beginner#
  31. Dormire /dorˈmire/ ha dormito Slapen A1Beginner#
  32. Piacere /pjaˈtʃere/ è piaciuto onregelmatig Bevallen A1Beginner#
  33. Vedere /veˈdere/ ha visto onregelmatig Zien A1Beginner#
  34. Morire /moˈrire/ è morto onregelmatig Sterven A2Beginner#
  35. Uscire /uʃˈʃire/ è uscito onregelmatig Uitgaan A1Beginner#
  36. Entrare /enˈtrare/ è entrato Binnengaan A1Beginner#
  37. Mettere /ˈmettere/ ha messo onregelmatig Zetten A1Beginner#
  38. Lasciare /laʃˈʃare/ ha lasciato Achterlaten A1Beginner#
  39. Camminare /kammiˈnare/ ha camminato Lopen A1Beginner#
  40. Guardare /ɡwarˈdare/ ha guardato Kijken A1Beginner#
  41. Vendere /ˈvendere/ ha venduto Verkopen A1Beginner#
  42. Odiare /oˈdjare/ ha odiato Haten A2Beginner#
  43. Usare /uˈzare/ ha usato Gebruiken A1Beginner#
  44. Cominciare /kominˈtʃare/ ha cominciato Beginnen A1Beginner#
  45. Finire /fiˈnire/ ha finito Eindigen A1Beginner#
  46. Seguire /seˈɡwire/ ha seguito Volgen A2Beginner#
  47. Scegliere /ˈʃeʎʎere/ ha scelto onregelmatig Kiezen A2Beginner#
  48. Portare /porˈtare/ ha portato Brengen A1Beginner#
  49. Amare /aˈmare/ ha amato Houden van A1Beginner#
  50. Abbracciare /abbratˈtʃare/ ha abbracciato Omarmen A2Beginner#
  51. Baciare /baˈtʃare/ ha baciato Kussen als zoenen A2Beginner#
  52. Insegnare /inseɲˈɲare/ ha insegnato Onderwijzen A1Beginner#
  53. Provare /proˈvare/ ha provato Passen A1Beginner#
  54. Giocare /dʒoˈkare/ ha giocato Spelen A1Beginner#
  55. Correre /ˈkorrere/ ha corso onregelmatig Rennen A1Beginner#
  56. Sedersi /seˈdersi/ è seduto onregelmatig Gaan zitten A1Beginner#
  57. Contare /konˈtare/ ha contato Tellen A1Beginner#
  58. Perdere /ˈpɛrdere/ ha perso onregelmatig Verliezen A1Beginner#
  59. Rispondere /riˈspondere/ ha risposto onregelmatig Beantwoorden A1Beginner#
  60. Inviare /inviˈare/ ha inviato Verzenden A2Beginner#
  61. Ricevere /riˈtʃevere/ ha ricevuto Ontvangen A2Beginner#
  62. Cucinare /kutʃiˈnare/ ha cucinato Koken als bereiden A1Beginner#
  63. Rompere /ˈrompere/ ha rotto onregelmatig Breken A2Beginner#
  64. Aprire /aˈprire/ ha aperto onregelmatig Openen A1Beginner#
  65. Preparare /prepaˈrare/ ha preparato Voorbereiden A1Beginner#
  66. Truccarsi /trukˈkarsi/ è truccato Zich opmaken A2Gemiddeld#
  67. Cambiare /kamˈbjare/ ha cambiato Veranderen A1Beginner#
  68. Credere /ˈkredere/ ha creduto Geloven A1Beginner#
  69. Ridere /ˈridere/ ha riso onregelmatig Lachen A1Beginner#
  70. Sorridere /sorˈridere/ ha sorriso onregelmatig Glimlachen A2Beginner#
  71. Chiudere /ˈkjudere/ ha chiuso onregelmatig Sluiten A1Beginner#
  72. Pensare /penˈsare/ ha pensato Denken A1Beginner#
  73. Chiedere /ˈkjɛdere/ ha chiesto onregelmatig Vragen A1Beginner#
  74. Guidare /ɡwiˈdare/ ha guidato Rijden A1Beginner#
  75. Lavare /laˈvare/ ha lavato Wassen A1Beginner#
  76. Lavarsi /laˈvarsi/ è lavato Zich wassen A1Beginner#
  77. Pulire /puˈlire/ ha pulito Reinigen A1Beginner#
  78. Accendere /atˈtʃɛndere/ ha acceso onregelmatig Aanzetten A1Beginner#
  79. Spegnere /ˈspeɲɲere/ ha spento onregelmatig Uitschakelen A2Beginner#
  80. Riposare /ripoˈzare/ ha riposato Rusten A1Beginner#
  81. Restare /resˈtare/ è restato Blijven A2Beginner#
  82. Salire /saˈlire/ è salito onregelmatig Stijgen A1Beginner#
  83. Scendere /ˈʃendere/ è sceso onregelmatig Naar beneden gaan A1Beginner#
  84. Telefonare /telefoˈnare/ ha telefonato Bellen A1Beginner#
  85. Spiegare /spjeˈɡare/ ha spiegato Uitleggen A2Beginner#
  86. Piangere /ˈpjandʒere/ ha pianto onregelmatig Huilen A2Beginner#
  87. Costruire /kostruˈire/ ha costruito Bouwen A2Beginner#
  88. Togliere /ˈtɔʎʎere/ ha tolto onregelmatig Uittrekken A2Beginner#
  89. Urlare /urˈlare/ ha urlato Schreeuwen A2Gemiddeld#
  90. Creare /kreˈare/ ha creato Creëren A2Beginner#
  91. Mostrare /moˈstrare/ ha mostrato Tonen A2Beginner#
  92. Aggiungere /adˈdʒundʒere/ ha aggiunto onregelmatig Toevoegen A2Beginner#
  93. Fermare /ferˈmare/ ha fermato Stoppen A2Beginner#
  94. Cadere /kaˈdere/ è caduto onregelmatig Vallen A2Beginner#
  95. Alzarsi /alˈtsarsi/ è alzato Opstaan A1Beginner#
  96. Vestirsi /vesˈtirsi/ è vestito Zich aankleden A1Beginner#
  97. Descrivere /deˈskrivere/ ha descritto onregelmatig Beschrijven A2Beginner#
  98. Muovere /ˈmwɔvere/ ha mosso onregelmatig Bewegen A2Beginner#
  99. Spogliarsi /spoʎˈʎarsi/ è spogliato Zich uitkleden A2Beginner#
  100. Nascondere /naˈskondere/ ha nascosto onregelmatig Verbergen A2Beginner#

Regels om te onthouden

  • De meeste infinitieven eindigen op -are, -ere of -ire, zoals Parlare, Prendere en Dormire. Deze uitgangen geven de drie belangrijkste vervoegingsgroepen aan.
  • Sommige werkwoorden op -ire, waaronder Capire en Finire, krijgen -isc- voor de uitgang in de tegenwoordige tijd van de aantonende wijs: in alle personen van het enkelvoud en in de derde persoon meervoud.
  • Wederkerende infinitieven eindigen op -si, zoals Lavarsi en Vestirsi. Het wederkerend voornaamwoord verandert mee met het onderwerp.

Meer thema's