Naar de inhoud

Sport in het Portugees

129 woorden, van beginner tot gevorderd. Tik op een woord om het te horen.

0 / 132 woorden geleerd

Leer deze woorden door te oefenen Download de lijst (PDF)

Goed om te weten

Wanneer je over sport in het Portugees praat, hangt de keuze van het werkwoord af van de activiteit: Jogar andebol duidt een balspel aan, Praticar karaté een vechtkunst en Fazer exercício lichaamsbeweging in het algemeen.

Jogar ténis verwijst naar de sport, terwijl Usar ténis apropriados het dragen van geschikte sportschoenen betekent. In Portugal heeft hetzelfde zelfstandig naamwoord beide betekenissen. In de context van een sportschool betekent Correr na passadeira hardlopen op een loopband. Ir ao ginásio betekent naar de sportschool gaan; de uitdrukking geeft niet aan welke oefeningen je daar doet.

  1. Fazer caminhada /fɐˈzeɾ kɐmiˈɲadɐ/ Wandelen A2Gemiddeld#
  2. Treinar /tɾɐjˈnaɾ/ treinei · treinado Trainen A2Gemiddeld#
  3. Fazer ginásio /fɐˈzeɾ ʒiˈnazju/ Fitnessen A2Gemiddeld#
  4. Fazer musculação /fɐˈzeɾ muʃkulɐˈsɐ̃w̃/ Krachttraining B1Gemiddeld#
  5. Praticar pilates /pɾɐtiˈkaɾ piˈlatɨʃ/ Pilates beoefenen B1Gemiddeld#
  6. Jogar andebol /ʒuˈɡaɾ ɐ̃dɨˈbɔɫ/ Handbal spelen A2Gemiddeld#
  7. Jogar xadrez /ʒuˈɡaɾ ʃɐˈdɾeʃ/ Schaken A2Gemiddeld#
  8. Praticar karaté /pɾɐtiˈkaɾ kɐɾɐˈtɛ/ Karate beoefenen A2Gemiddeld#
  9. Combater o sedentarismo /kõbɐˈteɾ u sɨdẽtɐˈɾiʒmu/ Een zittende levensstijl bestrijden B2Gevorderd#
  10. Monitorizar os batimentos cardíacos /munituɾiˈzaɾ uʒ bɐtiˈmẽtuʃ kɐɾˈdiɐkuʃ/ Hartslag monitoren B2Gevorderd#
  11. Jogar futebol /ʒuˈɡaɾ futɨˈbɔɫ/ Voetballen A1Beginner#
  12. Praticar boxe /pɾɐtiˈkaɾ ˈbɔksɨ/ Boksen A2Gemiddeld#
  13. Correr na passadeira /kuˈʁeɾ nɐ pɐsɐˈdɐjɾɐ/ Hardlopen op de loopband A2Gemiddeld#
  14. Fazer flexão /fɐˈzeɾ flɛkˈsɐ̃w̃/ Opdrukken B1Gemiddeld#
  15. Fazer agachamento /fɐˈzeɾ ɐɡɐʃɐˈmẽtu/ Squats doen B1Gemiddeld#
  16. Fazer prancha /fɐˈzeɾ ˈpɾɐ̃ʃɐ/ Planken B1Gemiddeld#
  17. Treino de força /ˈtɾɐjnu dɨ ˈfɔɾsɐ/ o mv. os treinos de força Krachttraining B1Gemiddeld#
  18. Jogar ao mata /ʒuˈɡaɾ aw ˈmatɐ/ Trefbal spelen B1Gevorderd#
  19. Treino anaeróbico /ˈtɾɐjnu ɐnɐɛˈɾɔbiku/ o mv. os treinos anaeróbicos Anaerobe training B2Gevorderd#
  20. Treino intervalado /ˈtɾɐjnu ĩtɨɾvɐˈladu/ o mv. os treinos intervalados Intervaltraining B2Gevorderd#
  21. Participar num campeonato /pɐɾtisiˈpaɾ nũ kɐ̃pjuˈnatu/ Deelnemen aan een kampioenschap A2Gemiddeld#
  22. Perder uma partida /pɨɾˈdeɾ ˈumɐ pɐɾˈtidɐ/ Een wedstrijd verliezen A2Gemiddeld#
  23. Empatar o jogo /ẽpɐˈtaɾ u ˈʒoɡu/ Het spel gelijktrekken B1Gemiddeld#
  24. Usar ténis apropriados /uˈzaɾ ˈtɛniz ɐpɾuˈpɾjaduʃ/ Geschikte sportschoenen dragen B1Gemiddeld#
  25. Ter disciplina /ˈteɾ diʃiˈplinɐ/ Discipline hebben B1Gemiddeld#
  26. Ter foco /ˈteɾ ˈfɔku/ Focus hebben B1Gemiddeld#
  27. Manter o ritmo /mɐ̃ˈteɾ u ˈʁitmu/ Het tempo erin houden B1Gemiddeld#
  28. Caminhar /kɐmiˈɲaɾ/ caminhei · caminhado Lopen A2Beginner#
  29. Correr /kuˈʁeɾ/ corri · corrido Rennen A1Beginner#
  30. Perder peso /pɨɾˈdeɾ ˈpezu/ Gewicht verliezen A2Beginner#
  31. Saltar /sɐɫˈtaɾ/ saltei · saltado Springen A2Beginner#
  32. Fazer exercício /fɐˈzeɾ izɨɾˈsisju/ Bewegen A2Beginner#
  33. Ir ao ginásio /ˈiɾ aw ʒiˈnazju/ Naar de sportschool gaan A2Beginner#
  34. Andar de bicicleta /ɐ̃ˈdaɾ dɨ bisiˈklɛtɐ/ Fietsen A1Beginner#
  35. Nadar /nɐˈdaɾ/ nadei · nadado Zwemmen A1Beginner#
  36. Partida /pɐɾˈtidɐ/ a mv. as partidas Wedstrijd A2Beginner#
  37. Alongar /ɐlõˈɡaɾ/ alonguei · alongado Rekken B1Gemiddeld#
  38. Fazer alongamento /fɐˈzeɾ ɐlõɡɐˈmẽtu/ Stretchen B1Gemiddeld#
  39. Alongar antes do treino /ɐlõˈɡaɾ ˈɐ̃tɨʒ du ˈtɾɐjnu/ Stretchen voor de training B1Gemiddeld#
  40. Aquecimento /ɐkɨsiˈmẽtu/ o mv. os aquecimentos Warming-up A2Gemiddeld#
  41. Fazer artes marciais /fɐˈzeɾ ˈaɾtɨʒ mɐɾsiˈajʃ/ Vechtsport beoefenen B1Gemiddeld#
  42. Praticar judo /pɾɐtiˈkaɾ ˈʒudu/ Judo beoefenen A2Gemiddeld#
  43. Ser o árbitro /ˈseɾ u ˈaɾbitɾu/ Scheidsrechter zijn B1Gemiddeld#
  44. Jogar na defesa /ʒuˈɡaɾ nɐ dɨˈfezɐ/ Verdediging spelen B1Gemiddeld#
  45. Jogar no ataque /ʒuˈɡaɾ nu ɐˈtakɨ/ Spelen in de aanval B1Gemiddeld#
  46. Ser titular /ˈseɾ tituˈlaɾ/ Basisspeler zijn B1Gemiddeld#
  47. Melhorar o desempenho /mɨʎuˈɾaɾ u dɨzẽˈpɐɲu/ Prestaties verbeteren B1Gemiddeld#
  48. Aumentar a resistência /awmẽˈtaɾ ɐ ʁɨziʃˈtẽsjɐ/ Het uithoudingsvermogen vergroten B1Gemiddeld#
  49. Controlar a respiração /kõtɾuˈlaɾ ɐ ʁɨʃpiɾɐˈsɐ̃w̃/ De ademhaling controleren B1Gemiddeld#
  50. Cuidar da postura /kujˈdaɾ dɐ puʃˈtuɾɐ/ Op de houding letten B1Gemiddeld#
  51. Evitar lesões /iviˈtaɾ lɨˈzõj̃ʃ/ Letsel voorkomen B1Gemiddeld#
  52. Ganhar massa muscular /ɡɐˈɲaɾ ˈmasɐ muʃkuˈlaɾ/ Spiermassa winnen B1Gemiddeld#
  53. Queimar calorias /kɐjˈmaɾ kɐluˈɾiɐʃ/ Calorieën verbranden B1Gemiddeld#
  54. Manter o corpo em forma /mɐ̃ˈteɾ u ˈkoɾpu ɐ̃j̃ ˈfɔɾmɐ/ Je lichaam in vorm houden A2Gemiddeld#
  55. Ter equilíbrio /ˈteɾ ɨkiˈlibɾju/ Evenwicht hebben B1Gemiddeld#
  56. Ter coordenação /ˈteɾ kuuɾdɨnɐˈsɐ̃w̃/ Coördinatie hebben B1Gemiddeld#
  57. Ter flexibilidade /ˈteɾ flɨksibiliˈdadɨ/ Flexibiliteit hebben B2Gemiddeld#
  58. Ter força muscular /ˈteɾ ˈfɔɾsɐ muʃkuˈlaɾ/ Spierkracht hebben B1Gemiddeld#
  59. Ultrapassar limites /uɫtɾɐpɐˈsaɾ liˈmitɨʃ/ Grenzen overschrijden B1Gemiddeld#
  60. Superar desafios /supɨˈɾaɾ dɨzɐˈfiuʃ/ Uitdagingen overwinnen B1Gemiddeld#
  61. Ser atleta amador /ˈseɾ ɐˈtlɛtɐ ɐmɐˈdoɾ/ Amateursporter zijn B1Gemiddeld#
  62. Ser atleta profissional /ˈseɾ ɐˈtlɛtɐ pɾufisjuˈnal/ Een professionele atleet zijn B1Gemiddeld#
  63. Assistir a uma partida /ɐsiʃˈtiɾ ɐ ˈumɐ pɐɾˈtidɐ/ Een wedstrijd bekijken A2Beginner#
  64. Sentir disposição /sẽˈtiɾ diʃpuziˈsɐ̃w̃/ Energie voelen B1Gemiddeld#
  65. Seguir uma rotina de treinos /sɨˈɡiɾ ˈumɐ ʁuˈtinɐ dɨ ˈtɾɐjnuʃ/ Een trainingsroutine volgen B1Gemiddeld#
  66. Ter um personal trainer /teɾ ũ ˈpɐɾsənɐl ˈtɾɐjnɐɾ/ Een persoonlijke trainer hebben B1Gemiddeld#
  67. Seguir um plano de treino /sɨˈɡiɾ ũ ˈplɐnu dɨ ˈtɾɐjnu/ Een trainingsprogramma volgen B1Gemiddeld#
  68. Usar aplicação de treinos /uˈzaɾ ɐplikɐˈsɐ̃w̃ dɨ ˈtɾɐjnuʃ/ Een trainingsapp gebruiken B1Gemiddeld#
  69. Ter metas /ˈteɾ ˈmɛtɐʃ/ Doelen hebben B1Gemiddeld#
  70. Respirar fundo /ʁɨʃpiˈɾaɾ ˈfũdu/ Diep ademhalen A2Beginner#
  71. Subir escadas /suˈbiɾ ɨʃˈkadɐʃ/ Traplopen A1Beginner#
  72. Fazer yoga /fɐˈzeɾ ˈjɔɡɐ/ Yoga doen A2Beginner#
  73. Jogar voleibol /ʒuˈɡaɾ vulɐjˈbɔɫ/ Volleybal spelen A2Beginner#
  74. Jogar basquetebol /ʒuˈɡaɾ bɐʃkɨtɨˈbɔɫ/ Basketbal spelen A2Beginner#
  75. Jogar ténis /ʒuˈɡaɾ ˈtɛniʃ/ Tennissen A1Beginner#
  76. Jogar pingue-pongue /ʒuˈɡaɾ ˌpĩɡɨˈpõɡɨ/ Tafeltennis spelen A2Beginner#
  77. Manter a motivação /mɐ̃ˈteɾ ɐ mutivɐˈsɐ̃w̃/ Motivatie behouden B1Gemiddeld#
  78. Sentir-se realizado /sẽˈtiɾ sɨ ʁiɐliˈzadu/ Zich voldaan voelen B2Gemiddeld#
  79. Competir em torneios /kõpɨˈtiɾ ɐ̃j̃ tuɾˈnɐjuʃ/ Deelnemen aan toernooien B1Gemiddeld#
  80. Participar em maratonas /pɐɾtisiˈpaɾ ɐ̃j̃ mɐɾɐˈtɔnɐʃ/ Deelnemen aan marathons B1Gemiddeld#
  81. Subir ao pódio /suˈbiɾ aw ˈpɔdju/ Op het podium staan B1Gemiddeld#
  82. Representar uma equipa /ʁɨpɾɨzẽˈtaɾ ˈumɐ iˈkipɐ/ Een team vertegenwoordigen B1Gemiddeld#
  83. Vestir a camisola /vɨʃˈtiɾ ɐ kɐmiˈzɔlɐ/ Het shirt dragen A2Gemiddeld#
  84. Praticar desporto ao ar livre /pɾɐtiˈkaɾ dɨʃˈpoɾtu aw ˈaɾ ˈlivɾɨ/ Buitensporten beoefenen A2Gemiddeld#
  85. Ter espírito desportivo /ˈteɾ ɨʃˈpiɾitu dɨʃpuɾˈtivu/ Een sportieve geest hebben B2Gemiddeld#
  86. Respeitar o adversário /ʁɨʃpɐjˈtaɾ u ɐdvɨɾˈsaɾju/ De tegenstander respecteren B1Gemiddeld#
  87. Jogar com fair play /ʒuˈɡaɾ kõ ˌfɛɾ ˈplɐj/ Eerlijk spelen B1Gemiddeld#
  88. Aplaudir o esforço /ɐplɐwˈðiɾ u ɨʃˈfoɾsu/ De inspanning toejuichen B2Gemiddeld#
  89. Aprender com a derrota /ɐpɾẽˈdeɾ kõ ɐ ðɨˈʁɔtɐ/ Leren van een nederlaag B1Gemiddeld#
  90. Viver o desporto /viˈveɾ u dɨʃˈpoɾtu/ De sport beleven B1Gemiddeld#
  91. Pedalar /pɨdɐˈlaɾ/ pedalei · pedalado Trappen A2Beginner#
  92. Fazer natação /fɐˈzeɾ nɐtɐˈsɐ̃w̃/ Gaan zwemmen A2Beginner#
  93. Jogar golfe /ʒuˈɡaɾ ˈɡɔɫfɨ/ Golf spelen A2Beginner#
  94. Levantar peso /lɨvɐ̃ˈtaɾ ˈpezu/ Gewichtheffen A2Beginner#
  95. Fazer parte de uma equipa /fɐˈzeɾ ˈpaɾtɨ dɨ ˈumɐ ɨˈkipɐ/ Deel uitmaken van een team A2Beginner#
  96. Defender /dɨfẽˈdeɾ/ defendi · defendido Verdedigen B1Beginner#
  97. Vestir o uniforme /vɨʃˈtiɾ u uniˈfɔɾmɨ/ Het uniform aantrekken A2Beginner#
  98. Beber água durante o treino /bɨˈbeɾ ˈaɡwɐ duˈɾɐ̃tɨ u ˈtɾɐjnu/ Water drinken tijdens de training A2Beginner#
  99. Usar capacete /uˈzaɾ kɐpɐˈsetɨ/ Een helm dragen A2Beginner#
  100. Ter uma vida ativa /teɾ ˈumɐ ˈvidɐ ɐˈtivɐ/ Een actief leven leiden B1Beginner#
  101. Saltar à corda /sɐɫˈtaɾ a ˈkɔɾdɐ/ Touwtjespringen A2Beginner#
  102. Ganhar uma partida /ɡɐˈɲaɾ ˈumɐ pɐɾˈtidɐ/ Een wedstrijd winnen A2Beginner#
  103. Ganhar medalha /ɡɐˈɲaɾ mɨˈðaʎɐ/ Een medaille winnen A2Beginner#
  104. Marcar golo /mɐɾˈkaɾ ˈɡɔlu/ Een doelpunt maken A2Beginner#
  105. Marcar ponto /mɐɾˈkaɾ ˈpõtu/ Een punt scoren A2Beginner#
  106. Usar proteção /uˈzaɾ pɾutɛˈsɐ̃w̃/ Bescherming gebruiken A2Beginner#
  107. Usar luvas /uˈzaɾ ˈluvɐʃ/ Handschoenen dragen A2Beginner#
  108. Usar relógio desportivo /uˈzaɾ ʁɨˈlɔʒju dɨʃpuɾˈtivu/ Een sporthorloge dragen A2Beginner#
  109. Celebrar a vitória /sɨlɨˈbɾaɾ ɐ viˈtɔɾjɐ/ Overwinning vieren A2Beginner#
  110. Libertar endorfina /libɨɾˈtaɾ ẽduɾˈfinɐ/ Endorfine vrijmaken B2Gemiddeld#
  111. Medir o desempenho /mɨˈdiɾ u dɨzẽˈpɐɲu/ Prestaties meten B2Gemiddeld#
  112. Praticar taekwondo /pɾɐtiˈkaɾ tɛˈkwõdu/ Taekwondo beoefenen B1Gemiddeld#
  113. Fazer capoeira /fɐˈzeɾ kɐpuˈɐjɾɐ/ Capoeira doen B1Gemiddeld#
  114. Usar halteres /uˈzaɾ aɫˈtɛɾɨʃ/ Halters gebruiken B1Gemiddeld#
  115. Usar barra /uˈzaɾ ˈbaʁɐ/ Halterstang gebruiken B1Gemiddeld#
  116. Usar elíptico /uˈzaɾ iˈliptiku/ Een elliptische trainer gebruiken B1Gemiddeld#
  117. Fazer circuito /fɐˈzeɾ siɾˈkujtu/ Een circuittraining doen B1Gemiddeld#
  118. Arrefecimento /ɐʁɨfɨsiˈmẽtu/ o mv. os arrefecimentos Cooling-down B2Gemiddeld#
  119. Praticar jiu-jitsu /pɾɐtiˈkaɾ ˌʒiwˈʒitsu/ Jiu-jitsu beoefenen B1Gemiddeld#
  120. Usar bicicleta estática /uˈzaɾ bisiˈklɛtɐ ɨʃˈtatikɐ/ Een hometrainer gebruiken B1Gemiddeld#
  121. Usar o stepper /uˈzaɾ u ˈstɛpɐɾ/ De stepper gebruiken B1Gemiddeld#
  122. Apitar o jogo /ɐpiˈtaɾ u ˈʒoɣu/ Het spel fluiten B2Gemiddeld#
  123. Fazer treino de resistência /fɐˈzeɾ ˈtɾɐjnu dɨ ʁɨziʃˈtẽsjɐ/ Duurtraining doen B2Gemiddeld#
  124. Treino de velocidade /ˈtɾɐjnu dɨ vɨlusiˈdadɨ/ o mv. os treinos de velocidade Snelheidstraining B1Gemiddeld#
  125. Treino de agilidade /ˈtɾɐjnu dɨ ɐʒiliˈdadɨ/ o mv. os treinos de agilidade Behendigheidstraining B2Gemiddeld#
  126. Treino aeróbico /ˈtɾɐjnu ɐɛˈɾɔbiku/ o mv. os treinos aeróbicos Aërobe training B2Gemiddeld#
  127. Correr a estafeta /kuˈʁeɾ ɐ ɨʃtɐˈfɛtɐ/ Estafette lopen B1Gemiddeld#
  128. Usar joelheira /uˈzaɾ ʒuɐˈʎɐjɾɐ/ Een kniebrace dragen B1Gemiddeld#
  129. Fazer triatlo /fɐˈzeɾ tɾiˈatlu/ Een triatlon doen B1Gemiddeld#

Regels om te onthouden

  • In Ir ao ginásio is ao een samentrekking van a + o. In Correr na passadeira is na een samentrekking van em + a.
  • In Treino de força geeft de aan waarop de training gericht is. In Treino intervalado volgt het bijvoeglijk naamwoord op het mannelijke zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
  • In Usar ténis apropriados staat het bijvoeglijk naamwoord in het mannelijk meervoud. Het zelfstandig naamwoord wordt in het enkelvoud en meervoud hetzelfde geschreven.

Meer thema's